Column | Muziek voor een jonggestorven vrouw?

Door Saskia Stevens | Glazen flesjes en schaaltjes, aardewerk, twaalf bronzen gewelfde schijfjes en een benen handvat versierd met zilver dat ooit van een spiegel was. Die kostbaarheden vonden archeologen in een Romeins graf in de gemeente Brunssum. Ik zag ze toen ik onlangs een bezoek bracht aan het vernieuwde Thermenmuseum in Heerlen. En met wat speurwerk bleken ze veel te vertellen over een anonieme inwoner van Romeins Limburg. In de eerste plaats dat ze een vrouw was.

Bulldozer

Tijdens graafwerkzaamheden voor de aanleg van een nieuw industrieterrein in de gemeente Brunssum in september 1966, stuitte een van de bulldozermachinisten op een stenen kist. De kist lag slechts een meter onder het maaiveld en was in de werkzaamheden beschadigd geraakt. Delen van de inhoud konden worden gered, maar de resten van kist verdwenen op de stort. Ook de as van de eigenaresse ging verloren. De vondsten werden naar de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek gestuurd en gerestaureerd, waarna ze terugkwamen en naar het Thermenmuseum werden overgebracht. Daar vertellen de grafgiften – want dat waren het – een verhaal over de verdwenen dode. De spiegel en de andere giften verraden vrij snel dat het ging om een vrouw. Maar wie was ze? Wanneer stierf ze, hoe oud was ze en uit welke sociale klasse kwam ze?

Roerige tijden?

De grafgiften helpen ons in de eerste plaats met de datering. Dankzij vergelijkend onderzoek weten we wanneer welk type aardewerk en glas in zwang was. Hierdoor kan de inhoud van de askist gedateerd worden rond het midden van de derde eeuw n. Chr., een periode van groeiende onrust in deze contreien. Tegelijkertijd waren op de vruchtbare Limburgse lössgronden verschillende boerenbedrijven (villae) nog volop in gebruik, net als de thermen in Coriovallum, Romeins Heerlen. De beroemde askist uit Simpelveld (zie de column Stephan Mols) werd vijftien kilometer verderop gevonden in de nabijheid van een villa. Prof. Bogaers suggereerde in zijn verslag over de vondst dat het hem niets zou verbazen als er ook in de buurt van de askist uit Brunssum een villa zou worden gevonden, maar zover is het nog niet gekomen. Ook zou de doorgaande weg van Heerlen naar Xanten niet ver van de vindplaats van de askist hebben gelopen. Dit zou betekenen dat het graf goed toegankelijk was en dat de overledene voldoende bezoek zou hebben gekregen op haar laatste rustplaats: de wens van elke Romein.

Kostbaar instrument

Het meest bijzondere van dit vrouwengraf is de aanwezigheid van de twaalf bronzen schijfjes. Die waren onderdeel van een percussie-instrument, dat de Romeinen cymbalum of crotalum noemden en dat werd gebruikt om de maat aan te geven voor dansers. Op enkele van de bronzen schijfjes zijn nog houtresten aangetroffen, wat deze interpretatie onderschrijft. Van dit type grafgift zijn in noordwest Europa maar elf voorbeelden bekend. In de zogenoemde Grutberg-sarcofaag uit Nijmegen bijvoorbeeld, lag een kinderskelet met twee intacte, mogelijk vergelijkbare, instrumenten. Alle bekende voorbeelden dateren uit de derde en vierde eeuw n. Chr. en in alle gevallen behoorden de graven toe aan rijke meisjes of jonge vrouwen.

Dodenmuziek

Voor de aanwezigheid van de percussie-instrumenten zijn verschillende interpretaties gegeven. Het zou voor de hand liggen dat de instrumenten door de overledene zelf zijn gebruikt, maar de bewaarde schellenramen uit Nijmegen zijn behoorlijk zwaar en zouden voor een kind lastig hanteerbaar zijn geweest. Bovendien vertellen Romeinse schrijvers ons dat het vooral dames uit een lagere sociale klasse waren die dit soort instrumenten bespeelden. Een andere uitleg is dat de instrumenten een belangrijk rol hebben gespeeld bij de Romeinse huwelijksceremonie, iets wat deze te vroeg gestorven jonge vrouwen nooit zouden meemaken. Door de instrumenten mee te geven in hun graf werd dit gemis wellicht gecompenseerd. Een derde optie zou kunnen zijn dat de instrumenten waren gebruikt tijdens de begrafenisprocessie en dat ze daarna in de kist zijn gelegd. De klank van de bronzen schelletjes zou de boze geesten hebben weggejaagd en de overledene hebben beschermd op weg naar de onderwereld.

Dankzij de bronzen schijfjes en overige bijgaven in het graf weten we al met al best veel over de eigenaresse van de Brunssumse askist: ze was een jonge vrouw, overleden in het midden van de derde eeuw n. Chr. en van een hoge sociale klasse. Nu alleen die villa nog vinden!